Methode
Alles komt uit openbare CBS-data. Er is geen enkel cijfer in deze publicatie dat u niet zelf kunt narekenen. Hieronder staat hoe, en waar de grenzen liggen.
Uit CBS 84580NED: de gerealiseerde gemeentelijke uitgaven aan de maatwerkvoorziening hulp bij het huishouden over 2024, stand 16 september 2026. Landelijk €1.769 miljoen. Voor acht gemeenten ontbrak dat cijfer; hun bedrag is geschat op het aantal cliënten maal het landelijk gemiddelde en op de pagina van die gemeente als zodanig gemarkeerd.
Het bedrag per gemeente komt niet uit een eigen verdeling, maar uit de officiële rekenbestanden van BZK bij de septembercirculaire gemeentefonds 2026. De korting loopt via het cluster Individuele voorzieningen Wmo van het verdeelmodel, met objectieve maatstaven: eenpersoonshuishoudens, huishoudens met een laag inkomen, inwoners van 75 jaar en ouder, kernen, laag opleidingsniveau en regionale centrumfunctie. Bruto gaat er circa €1,44 miljard uit het gemeentefonds, waarvan €430 miljoen terugkomt als vangnetmiddelen; de netto uitname is circa €1,01 miljard. Rekenlaag rekent per gemeente met het nettobedrag uit de BZK-reeks.
De som van die reeks over de 342 gemeenten bedraagt €994,3 miljoen, ofwel 98,4% van de macro van €1,01 miljard; bij de meicirculaire was dat €973,6 miljoen (96,4%). Dat verschil komt door de indicatieve aantallen en de uitkeringsfactor in de circulaire en is geen rekenfout; de definitieve bedragen volgen in latere circulaires.
Niet de €435 miljoen uit het coalitieakkoord. Dat is het saldo dat het Rijk overhoudt nádat €575 miljoen extra naar de Wet langdurige zorg gaat. Dat bedrag landt niet bij gemeenten. Wie met €435 miljoen rekent, onderschat de gemeentelijke taakstelling met een factor 2,3.
Uit CBS 85896NED komt de feitelijke verdeling van het huishoudinkomen van de mensen die nu hulp bij het huishouden ontvangen, per gemeente. Die verdeling wordt zo doorgesneden dat de opbrengst gelijk is aan de uitname, met lineaire interpolatie binnen de inkomensklassen. De uitkomst is de grens waarboven een huishouden zelf zou moeten betalen om het bedrag op te halen.
Gerekend wordt op het huidige cliëntenbestand, niet op een prognose. De demografische doorgroei hoort in de meerjarenraming van een gemeente thuis, niet verstopt in een inkomensgrens. Bovendien ontbreekt per gemeente de leeftijdsverdeling die nodig zou zijn om het bestand door te groeien.
Die keuze levert het scherpere getal. Wie op het verwachte bestand van 2029 rekent, komt op een iets hogere grens uit, omdat hetzelfde bedrag over meer cliënten wordt omgeslagen. Beide getallen zijn juist; ze beantwoorden een net andere vraag. Deze publicatie hanteert consequent het huidige bestand.
De gemeentelijke indeling volgt CBS 86247NED, stand 1 januari 2026.
Vier grenzen, expliciet.
Er wordt gerekend met de officiële verdeling van BZK, niet langer met een eigen aanname over de verdeelsleutel. De septembercirculaire 2026 heeft de aantallen achter de verdeelmaatstaven en de uitkeringsfactor bijgesteld: de reeks somt nu tot 98,4% van de macro (mei: 96,4%) en de bedragen per gemeente verschoven met mediaan 2,6%. Volgende circulaires, en de herziening van de maatstaf huishoudens met een laag inkomen per 2027, kunnen de verdeling opnieuw verschuiven; de reeks blijft uitdrukkelijk indicatief.
Vermogen zit er niet in, en evenmin de structurele meerkosten van mensen met een beperking. De uiteindelijke draagkrachttoets zal fijnmaziger zijn. De grens die hier wordt berekend is dus geen norm, maar de grens die rekenkundig nodig is.
CBS rondt cliëntaantallen af op vijftallen en onderdrukt kleine aantallen. Voor besluitvorming over individuele gevallen is het eigen cliëntenbestand nodig.
Op 30 juni 2026 nam de Tweede Kamer met 131 stemmen een motie aan die het kabinet vraagt alternatieven te onderzoeken voordat onomkeerbare stappen worden gezet.
Alle 342 gemeenten staan in de dataset, elk met de netto korting uit de BZK-reeks. Voor 319 kon een draagkrachtgrens worden berekend. Bij 12 kleine gemeenten onderdrukt CBS de inkomensverdeling; landelijke totalen zijn niet naar hen opgehoogd. Voor negentien gemeenten is teruggevallen op het meest recente jaar met een volledige verdeling, gemarkeerd op hun eigen pagina. Bij 11 gemeenten overtreft de korting de geregistreerde maatwerkuitgaven, doorgaans omdat zij hulp bij het huishouden buiten de maatwerkcategorie registreren; daar wordt wel de korting getoond, maar geen grens. Een grens zou daar schijnprecisie zijn.
Drie technische aantekeningen. De som van de kolom netto_korting_bzk_mln
in de CSV bedraagt €994,3 mln, ofwel 98,4% van de macro van €1.010 mln; het
verschil komt door de indicatieve aantallen in de circulaire. De telling betreft
cliënten (personen), ingedeeld naar het inkomen van hun huishouden, niet
huishoudens. En de wegvallende eigen bijdrage van de zelfbetalers (€262 per jaar,
circa 3% van de korting) is niet verrekend; dat werkt in het nadeel van de hier
berekende grens, die dus eerder iets te hoog dan te laag is.
De volledige verantwoording staat in de dekkingsnotitie.
Op de voorpagina staat de benodigde grens naast de grens die het Rijk zelf hanteert in de inkomensafhankelijke eigen bijdrage (ivb). Die bedragen komen uit de invulling die het ministerie van VWS op 14 maart 2025 publiceerde: een alleenstaande betaalt tot een huishoudinkomen van €24.500 alleen de minimumbijdrage van €23,60 per maand, voor meerpersoonshuishoudens ligt die grens op €34.000. Het maximum van €328 geldt vanaf €61.000 respectievelijk €70.500.
Dat wetsvoorstel is op 24 juni 2025 controversieel verklaard, waardoor invoering is opgeschoven naar op zijn vroegst 1 januari 2028.
Voorbehouden bij die vergelijking. Het Rijk hanteert verschillende grenzen per huishoudtype; de grens die hier per gemeente wordt berekend is één grens voor alle huishoudens samen, omdat de CBS-verdeling niet naar huishoudtype is uitgesplitst. De VWS-bedragen staan bovendien op het prijspeil van het beoogde invoeringsjaar, de CBS-inkomens op dat van hun verslagjaar. Daarom beperkt de vergelijking op de voorpagina zich tot de grootste steden, waar de inkomensverdeling volledig en actueel (2025) is; bij kleinere gemeenten kan de berekende grens kunstmatig laag uitvallen doordat CBS de bovenste inkomensbanden onderdrukt. De vergelijking is indicatief, niet exact.
De inkomensbegrippen zijn wél uit dezelfde familie, en dat is gecontroleerd bij de CBS-tabeltoelichting: het huishoudinkomen in 85896NED is het belastbaar inkomen uit box 1, 2 en 3, gesommeerd over alle leden van het huishouden, vastgesteld op 1 januari van het jaar t-2. Het bijdrageplichtig inkomen van VWS is eveneens fiscaal (verzamelinkomen plus een deel van de grondslag sparen en beleggen) en hanteert dezelfde t-2-systematiek. Volledig identiek zijn ze niet (VWS telt een extra vermogensdeel mee), maar het zijn geen verschillende werelden.
De brondata is op 13 augustus 2026 opnieuw rechtstreeks bij CBS opgehaald en vergeleken met de gebruikte waarden. Zestien gecontroleerde reeksen, geen afwijkingen.