Gemeente · hulp bij het huishouden · taakstelling 2029
De taakstelling van Amsterdam sluit pas bij een huishoudinkomen van €16 500. Daarboven betaalt het huishouden zelf. Dat is 85,4% van de huidige cliënten. Tegelijk heeft 69,0% van die cliënten een huishoudinkomen onder €30.000.
Het kabinet haalt vanaf 2029 netto circa €1,0 miljard uit het gemeentefonds omdat hulp bij het huishouden verdwijnt als maatwerkvoorziening: bruto €1,4 miljard eruit, €430 miljoen terug als vangnetmiddelen. De korting loopt via het cluster Individuele voorzieningen Wmo van het verdeelmodel, met objectieve maatstaven zoals eenpersoonshuishoudens, huishoudens met een laag inkomen en inwoners van 75 jaar en ouder. BZK publiceerde de uitkomst per gemeente bij de meicirculaire 2026 en actualiseerde de aantallen bij de septembercirculaire; voor Amsterdam is de netto korting €51,52 mln per jaar.
Die korting bedraagt 85,4% van wat Amsterdam in 2024 aan hulp bij het huishouden uitgaf. Landelijk is de mediaan 52,3%; bij acht van de tien gemeenten ligt dat aandeel tussen 40,1% en 71,2%. Amsterdam hoort daarmee bij de tien procent gemeenten met het hoogste aandeel. De officiële verdeling pakt voor Amsterdam €18,06 mln per jaar hoger uit dan een verdeling naar rato van het gebruik zou doen.
De maatregel belooft een vangnet voor wie het niet zelf kan betalen, maar noemt geen inkomensgrens. Deze pagina rekent uit welke grens er nodig is om het bedrag op te halen, op basis van de feitelijke inkomensverdeling van de huidige cliënten.
Let op het onderscheid: dit is de grens die rekenkundig nodig is, geen norm en geen advies. Ligt de gekozen grens hoger, dan blijft het verschil voor rekening van de gemeente. Zie methode en beperkingen.